De maan verlicht zijn duister pad
Dat hij verward betreedt
Onzeker voelt hij eenzaam duister
Waarachter zich mijn ziel ontkleed

Zijn blik verlaat de ondergaande zon
En vult mijn late slaapgebrek
Het gele schijnsel van de maan
Valt op het licht geroeste hek

De spijlen van zijn hok, slechts strepen
Waarachter zich de vrijheid hult
Door zacht geel licht gegrepen
Wordt hier zijn hok gevuld

Hier is geen mens, maar ook geen dier
Want immer nog weet de maan
De deur naar mens- zijn op een kier
Ooit vlucht hij hier vandaan

Mijn ziel versmelt met hem in maanlicht
In wolkenloze kille nacht
Ik schamp heel even zijn gezicht
Hij is geen dier,
Ik zie: hij lacht.

Mijn tranen vechten
Ontwortelde woede

Laat in boosheid
Mijn broze tranen onthechten

Eenzaam stil
Voel ik mij meer

Verlaten tranen vlechten
Mijn verlamde boosheid weg

Wat rest is
In gelatenheid ontwortelen

Mijn boosheid en verdriet
Is nu van niemand meer

De avond nam mijn stilte mee
Brak in mij weg als duizend
Na-fluisterende momenten
Een mozaïek van stilte om mij heen
De wereld is een lege zee
Vals vloeit de stilte om mij heen
Verzwelgt mijn jonge leven
Mijn wereld drupt, vervormd tot niets
Verzegelde eenzaamheid
Leeg zakt de stilte diep in mij
En vult mijn grauw bestaan
Ik denk, ik schrijf, dus ben ik iets

Ik ben een niets, een bijzaak-onzin- kind
Ik ben het meest verachtelijk op aarde
Ik ben het uitschot, onbedoeld als leven
Een dorre grasspriet zonder waarde

Ik ben een niets, ik ben slechts op papier,
In macht gevangen, nooit echt geboren
Ik leef in haat,in afschuw en onwerkelijkheid
Mijn wereld weg van liefde of bekoren

In hardheid voel ik niet de vele slagen,
Mijn bij-zijn kronkelt, alles doet zo zeer
Mijn hart vloeit weg, de pijn verbijsterd
Ik ben niet hard als steen, niets ben ik meer

Ik ben onthouden, eenzaam weggezet
In tomeloze tranen haperen mijn gedachten
Voogdij van macht vertrapt, veracht, verkracht,
Ik sterf hier weg, ik kan niet langer wachten

Ik leef apart, van mensen weggehaald
Mijn leegte woordeloos onthecht
Maar diep verborgen, ver weg in mijzelf
Een stukje mij dat immer vecht

Mijn trots, mijn wezen en bestaan
Twee knuffelberen zien mij nog als levend kind!
Ver weg apart van alle levensvormen,
Wordt ik geliefd, omarmd, gezoend, bemind.

Beeld in park Kerkrade

Moeder, waar ben je
Als ik niet ben bij jou?
Hoe weet ik zeker
Dat je nog naar mij komen zou?

Moeder, waar ben ik,
Als ik niet ben bij jou?
Hoe weet ik zeker
Dat ik nog bij jou komen zou?

Moeder, wie ben je,
Als ik niet ben bij jou?
Hoe weet ik nog zeker
Dat je me niet vergeten zou?

Moeder, wie ben ik
Als ik niet ben bij jou?
Hoe weet ik nog zeker
Dat ik je niet vergeten zou?

Moeder, o moeder!
Als ik niet ben bij jou
Wil je dan toch geloven
Dat ik je niet vergeten zou?

Moeder, o moeder!
Als ik niet meer kom bij jou
Wil je dan geloven,
Dat ik je nooit vergeten zou?

Mijn stem klinkt vreemd
Ik ben een leugen
Verscholen in de tijd
Ooit was hij iemand anders
Die mij verliet,
van mij ontheemd
Hem zou ik nooit meer willen heugen
Ik ben een ander toegewijd

Zijn stem klinkt vreemd
Hij is een leugen
Mijn ander weet niet wie ik ben
Hij leeft zijn eigen leven
Waarvan ik niets meer ken
Toch diep in mij weet ik nog steeds
Met hem ben ik verweven

Wij zijn een leugen voor elkaar
Ik ben niet hem, hij is mij niet
Ik haat zijn lach, hij lacht om mij
Mijn diep verdriet voor hem onwaar
Zijn haat treft mij, als hij mij ziet
Ik zou hem nooit meer willen zijn
Hij voelt zo groot en ik ben klein

Ik speel, ik lach, hij typt, bedenkt
Ik dartel in de avondzon
Ik ijver met het speelgoed in de ton
Hij telt zijn centen, leest een studieboek
Hij neemt mijn leven eer ik nog begon
Ik leef, ik ben; niets is er wat ik zoek
In alles heeft hij mij gekrenkt

De tijd verwrong ons samen zijn
Ik ken zijn leven niet,
Wat moet ik met zijn knuffelbeer
En buiten spelen is dat fijn?
Ha ha! Ik leef mijn leven zonder hem
Is hij er ooit geweest, wanneer?
Ik ben zo groot en sterk,
ik kan de hele wereld aan
Hij moet niet zeuren, broos en teer
Hij moet zijn eigen weg maar gaan

Toch…
In mist verborgen, klinkt toch die valse leugen
Van zijn gebroken kindertijd
Ik zoek naar wie ik allemaal ben
Waarin hij samen met mij lijdt

Want daar, ver weg, in heimelijk verlangen
Tussen wie ik toch nog echt zou zijn
Scheurt mijn gedachte wreed omlaag
Want tussen regels in mijn eerlijke gezangen
Voel ik, dat ik hem altijd in mij draag

In mij beroert en wisselt wie ik ben
Mijn eenzaamheid doorbroken
Een stem zegt mij:”Jij moet het doen”
een baby heeft gesproken

Mijn hoofd versplinterd in geweld
Mijn lichaam ziek en smerig
Mijn ziel verkocht ik aan een ander
Die beweerde:”Jij bent toch wederkerig”

De baby toont mij ik ben slechts een dier
Zijn stem betovert mijn gedachten
In mij heb ik steeds geweten
Waarin zij hem verkrachtten

Staak je stem en wordt als mij
Doe wat moet, als immer is bevolen
Ik deed, ik wurg mijn waardigheid
De baby had mijn hart gestolen

Wreed komen mijn gedachten terug
Verstrengeld in mijn liefdeslied
Niets van mij hier is nog mijn ware ik
Ik zie van ver wat hij niet ziet

Ik dood mijzelf in eindeloze pijn
“Doe al met mij, zo zal je blijven leven,
Zo niet dan sterf je hier,”
Niets van mijzelf is verder meer te geven

De dader wringt in mijn ontmanteld lijf
De baby slachtoffert mij in zacht en lief gezang
Ik ben een dader, een babykind ben ik
Mijn hele leven lang.

Ik ben niet hem, ik lijk niets ik
De baby krijst, de baby kermt zijn ogen vol van pijn
Mijn ziel kapot, bevlekt, verguisd
Ik kan toch beiden ook niet zijn

O baby, ons lot is eenzaam samen zijn,
Wij haten, huilen, lachen, spelen
Verdoemd is elk van ons,
De tijd kapot, niets kan ons ooit meer helen.

Mijn ziel splijt in jouw zacht gezicht
Mijn woorden vallen droevig neer
Als ik ontwaar wat ooit is aangericht
Aan jou zo wiegezacht, zo teer

Mijn droef’nis valt in schaduwen uiteen
Verweven met mijn schuldig medevoelen
Ik blijf ver weg van jouw geween
En als ik huil, blijf ik jou steeds bedoelen

Een glimlach, tenderlief zo zacht,
Een diep moment zo welgemeend gesmeekt
Een tel, een adem, alles wat in mij zo smacht
Voor altijd voel ik wat in je ogen spreekt

Ja, ik aanbid uw tere babyziel
Ik ken uw diepst geheim vooraf aan ’t sterven
Het liefdeshart, dat in mijn duister viel
Dat eeuwig in mijn ziel zal kerven

De tijd versmolt in mij diepzwart
Om mij heen
Ja donker, altijd donker,
Een schemering van kil koud zwart

Alleen liggen
Liggen
Alleen maar liggen
Altijd
in het donker
Niets bij mij

Een wekker tikt
Eenzame puntjes
In de dag

Een ver geluid
Ik adem nog
Ik leef
Leef ik?

Maar op de muur een schaduw
Die naar omlaag beweegt
Kronkelt zomaar in mijn hoofd
Ik versmelt
Met duister
Voor straf
Zoveel weken
Altijd weer
Oneindig duurt de tijd

Eens per dag
Is het even licht
Mag ik eten
Krijg ik eten
Eet ik
Mijn arm
Slaapt nog

Op straat, ver van mij
En van het bed
En van het donker
Spelen kinderen
Zijn de ware mensen samen
In het licht
Lachen de stemmen
dringen in mijn duister door

Tot de straf voorbij zal zijn
En de nieuwe straf
Mij weer laat liggen
opgebaard
voor straf
zonder woorden
Zonder tijd
Altijd

De zondag is de dag des Heeren
De zondag is een straf
De buitenwereld afgesloten
Als was ik in mijn graf
Binnen spelen
Binnen zitten
Binnen zijn
Binnen
In

Een kerk vol mensen, ootmoedig zwart
Gebed voor god en grafgezichten staren
De grimmige dominee galmt
Nog even en de slagen
Vallen diep
In mijn tere ziel
Het kneedt mijn hart
Ik was een kind
Een kind
Binnen
In

De deur gaat dicht, geen trede gaat meer terug
In duister zwart de zondag door
Tot vroomheid geschapen
Voor hem
Voor haar
Voor God
Opgesloten voor God
en hem en haar
Voor hem
Voor haar
Binnen
In

De zondag sombert voort
Binnen zitten
Opgesloten zitten
Binnen

In mijzelf
Is de zondag
Opgesloten
Diep binnen
Binnen
In